Rasstandaard

De Tsjechoslowaakse Wolfhond

(De rasstandaard van de Tsjechoslowaakse Wolfhond werd op 13-06-1989 door de Generale Vergadering van de FCI te Helsinki goedgekeurd. De rasstandaard werd door het FCI secretariaat uitgegeven onder nummer 332 op 28-04-1994. De oorspronkelijke tekst van de Tsjechoslowaakse versie werd door de FCI commissie voor rasstandaards verkort en bewerkt:

FÉDÉRATION CYNOLOGIQUE INTERNATIONALE SECRÉTARIAT GÉNÉRAL: 13, Place Albert I – B 6530 THUIN (België)

Standaard F.C.I. nummer 332 / 28-04-1994 /

TSJECHOSLOWAAKSE WOLFHOND (Ceskoslovenský vlèák)

VERTALERS: (Duits mevr. Ch. Spanikova, Frans Dr. J.-M. Paschound en Prof. R. Triquet, Engels mevr. C. Seidler) Bewerkt door Harry G.A. Hinckeldeyn en Dr. J.-M. Paschound

OORSPRONG: voormalig Tsjechoslowakije Patronaat: De Slowaakse Republiek

GEBRUIK:Werkhond

DATUM VAN UITGIFTE VAN HET ORIGINEEL VAN DE HUIDIGE RASSTANDAARD: 28-04-1994
CLASSIFICATIE F.C.I. : Groep 1; Herdershond
Sectie 1 Herdershonden Met examen van prestatie

EEN KORTE SAMENVATTING VAN ZIJN GESCHIEDENIS

In de voormalige Tsjechoslowaakse Socialistische Republiek vond in 1955 een biologisch experiment plaats, namelijk het kruisen van een Duitse Herder met een Karpaten wolf. Daaruit is gebleken, dat het mogelijk is nakomelingen van een reu en een wolvin te fokken en ook van een wolf en een teef. De meerderheid van alle kruisingen was genetisch geschikt voor vervolg van de teelt. Na voltooiing van de experimenten werd in het jaar 1965 een project voor de fokkerij van een nieuw ras samengesteld. De honden moesten de, voor hun gebruik, nodige eigenschappen van een wolf en de gepaste eigenschappen van een hond hebben. In het jaar 1992 werd de Tsjechoslowaakse Wolfhond door het toenmalig Federale Comité van de fokunies van de ÈSSR erkend als nationaal ras.

UITERLIJKE KENMERKEN:

Krachtig constitutietype, langer dan middelgroot. Qua lichaamsbouw, beweging, beharing, kleur van zijn beharing en masker lijkt hij op een wolf.

BELANGRIJKE PROPORTIES:

Lichaamslengte : Schofthoogte = 10 : 9 Lengte van de bek : Lengte van het schedelgebied = 1 : 1,5

AARD EN KARAKTER:

Temperamentvol, zeer actief, volhardend, leerzaam, snel reagerend. Moedig en onverschrokken. Wantrouwig maar zonder reden valt hij niet aan. Buitengewoon trouw aan zijn baas. Bestendig tegen weersinvloeden. Kan veelzijdig gebruikt worden.

HOOFD:

Symmetrisch, goed gespierd. Van opzij en van boven gezien vormt het hoofd een stompe wig. De gezichtsuitdrukking drukt het geslacht uit.

SCHEDELGEBIED:

Van opzij en van boven gezien is het voorhoofd licht gebogen. De voorhoofdrimpel is niet duidelijk. Achterhoofdsknobbel goed zichtbaar. Stop: Weinig

GEZICHTSGEBIED:

  • Neus: Ovaal, zwart.
  • Bek: Droog, niet al te breed, een rechte neusrug.
  • Lippen: Goedsluitend, hoeken dicht. Lippenranden zijn zwart.
  • Kaak/gebit: De kaak is sterk en symmetrisch. De tanden en kiezen, vooral de hoektanden goed ontwikkeld. Scharend of tanggebit, 42 gewoon gevormde tanden en kiezen. Regelmatige beetlijn.
  • Wangen: Droog, voldoende gespierd, niet duidelijk naar voren georiënteerd.
  • Ogen: Smal, scheef, barnsteenkleurig. Goed sluitende oogleden.
  • Oren: Staand, smal, driehoeksvorm, kort (niet langer dan 1/6 van de schofthoogte). De buitenste punt van de ooraanzet en de buitenste punt van het oog staan in een rechte lijn. De loodlijn van het toppunt van het oor loopt dicht langs het hoofd.
  • Hals: Droog, goed gespierd. In rust vormt hij met het horizontale vlak een hoek niet groter dan 40 graden. De lengte van zijn hals moet het mogelijk maken dat hij probleemloos met zijn snuit de grond kan bereiken.

LICHAAM:

  • Bovenlijn: Een vloeiende overgang van de hals naar het lichaam toe. Zacht gebogen.
  • Schoft: Goed gespierd, duidelijk. Mag het verloop van de bovenbelijning niet storen.
  • Rug: Stevig en recht.
  • Lende: Kort, goed gespierd, niet breed, licht gebogen.
  • Kruis: Kort, goed gespierd, niet breed, licht aflopend.
  • Borst: Symmetrisch, goed gespierd, ruim, peervormig met een versmalling in de richting naar het borstbeen. De diepte van de borst bereikt de ellebogen niet. Het borstbeen steekt niet boven het schoudergewricht uit.
  • Onderbelijning en buik: Buik is stevig en ingetrokken. Lendenen licht ingevallen.
  • Staart: Hoog opgezet. Recht naar beneden hangend. Bij opwinding in sikkelvorm naar boven gedragen.

LEDEMATEN:

  • De voorhand: Recht, krachtig, smal opgezet, voeten licht naar buiten gedraaid. (de Franse stand)
  • Schouder: Het schouderblad is meer naar de voorkant van het lichaam geplaatst en goed gespierd. Vormt een hoek van 65 graden met het horizontale vlak.
  • Opperarm: Sterk gespierd. Vormt met het schouderblad een hoek van 120 – 130 graden.
  • Elleboog: Sluit goed aan bij het lichaam, blijft in lijn van het been. Duidelijk, goed beweegbaar. Bovenarm en onderarm vormen een hoek van ongeveer 155 graden.
  • Onderarm: Lang, droog, recht. De lengte van de onderarm en de middenvoet tezamen bedraagt 55% van de schofthoogte.
  • Polsgewricht: Krachtig, goed beweeglijk.
  • Middenvoet: Lang, vormt met de grond een hoek van minstens 75 graden. Bij beweging zacht verend.
  • Voet: Groot, licht naar buiten gedraaid. Lange, gebogen tenen en sterke donkere nagels. Duidelijke veerkrachtige donkere voetzooltjes.
  • De achterhand: Krachtig, parallel gezet. Een loodlijn vanaf de zitbeen loopt midden door het spronggewricht.
  • Bovenbeen:Lang, goed gespierd. Het dijbeen vormt een hoek van ongeveer 80 graden met het bekken. Het heupgewricht is stabiel en goed beweeglijk.
  • Knie: Krachtig en goed beweeglijk.
  • Onderbeen: Lang, droog, goed gespierd. Vormt een hoek van ongeveer 130 graden met de middenvoet.
  • Spronggewricht: Droog, krachtig, goed beweeglijk.
  • Middenvoet: Lang, droog, loodlijn bijna naar beneden georiënteerd.
  • Voet: Lange, gebogen tenen met sterke donkere nagels. Duidelijk veerkrachtige donkere voetzooltjes.

BEWEGING:

Harmonische, lichte, ruime draf waarbij zijn ledematen zo laag mogelijk boven de grond bewegen. Hoofd en hals neigen in de horizontale positie. In stap telganger.

HUID:

Elastisch, strak, zonder rimpels en ongepigmenteerd.

BEHARING:

Eigenschappen: Recht en gesloten. Zomervacht verschilt van wintervacht. In de winter overheerst het machtige onderhaar dat samen met de bovenvacht een dikke beharing van het hele lichaam vormt. Het is noodzakelijk dat de vacht de buik, de binnenkant van de dijen, de binnenkant van de oren en de tussenruimte van de tenen bedekt. Kleur:Geelgrijs tot zilvergrijs met een karakteristiek licht masker. De lichte haren bevinden zich ook op de onderkant van de hals en aan de voorkant van de borst. Toegestaan is een donkergrijze kleur met een masker.

HOOGTE EN GEWICHT:

Schofthoogte:

Reuen minimaal: 65 cm
Teven minimaal: 60 cm

Gewicht:

Reuen minimaal: 26 kg
Teven minimaal: 20 kg

GEBREKEN:

Elke afwijking van de hierboven genoemde punten moet als een fout beschouwd worden, waarvan de waardering in precieze verhouding tot de mate van afwijking moet staan.

Een zwaar of licht hoofd. Plat voorhoofd. Donkerbruine of zwarte of verschillend gekleurde ogen. Grove, te hoog of te laag aangezette oren. In rust hoog gedragen hals. In houding laag gezet. Een onduidelijke schoft. Een atypische bovenlijn. Te lang kruis. Onvoldoende of teveel gehoekte voorhand. Zwakke middenvoet. Onvoldoende of teveel gehoekte achterhand. Onvoldoende bespiering. Een te lange, laag aangezette of fout gedragen staart. Een onduidelijk masker. Korte stap, golvende beweging.

NIET-TOEGESTANE FOUTEN:

Afwijkende proporties. Karaktergebreken. Atypisch hoofd. Onvolledig gebit. Foutieve beet. Atypische vorm of ligging van de ogen. Atypische vorm en zetting van de oren. Een te hellend kruis. Atypische borstkas. Een foute en atypische stand van de voorhand. Een qua aanzet of houding atypische staart. Atypische en open vacht. Andere dan standaardkleur. Losse banden. Atypische gangwerk. NB: De reuen moeten twee normaal ontwikkelde testikels hebben die zich geheel in het scrotum bevinden.